George Grard (1901-1984)

George Grard behoort tot een generatie kunstenaars, die men al eens de generatie 1900 heeft genoemd. Het betreft kunstenaars die qua leeftijd net na de Vlaamse expressionisten komen en die de artistieke keuze hadden: surrealist worden of epigoon van het expressionisme. Om uit dit dilemma te ontsnappen, kozen sommigen voor de terugkeer naar het realisme. Een goed voorbeeld voor de beeldhouwkunst is Grard. Men heeft ten onrechte deze terugkeer naar het realisme als een conservatief trekje geïnterpreteerd, als een terugkomen op de revolutionaire stappen van het expressionisme onder druk van de oorlogsomstandigheden. De braafheid van sommige kunstwerken verdient terecht de naam “animisme”, zoals Paul Haesaerts die – weinig succesrijk – heeft pogen in te voeren. Hij heeft Grard ook onder deze noemer gebracht, niet zonder zelf aan zijn argumentatie te twijfelen. Zijn eerste zin is duidelijk in dit verband: “Animist of niet, George Grard is een echte sculpteur”.(2) Deze twijfel aan de mogelijkheid om van Grard een kleine animist te maken, lost hij op door er een ruimere betekenis aan te geven, namelijk door aan zijn vormgeving een levendige “geest van de lichamelijkheid” mee te geven, zoals ik vandaag esprit physique durf te vertalen, waardoor de autonomie van het lichaam benadrukt wordt. Haesaerts en zijn aanhangers hebben niet begrepen dat vanuit een ontwikkelingslogica van de vorm men met het toenmalige expressionisme niet verder kon, wilde men niet in het epigonale of in de karikatuur belanden. Het is mede vanuit deze kunsthistorische problematiek dat het oeuvre van Grard en zijn generatie blijft boeien. Mede omdat velen onder hen het moeten bekopen hebben met een vorm van miskenning. Grard heeft hiervan niet veel last gehad. En dankzij de inspanningen van de familie en de vrienden is de Stichting George Grard een oord van herdenking van zijn oeuvre geworden. (3) Vele van zijn werken werden een tijd lang gegoten door Bert Ghysels in het Pa­keshof te Erembodegem. Ondertussen heeft de Stichting haar eigen bronsgieterij.

Boeiend in dit realisme van Grard is, wat hij overigens deelt met zijn Franse geestesgenoot Aristide Maillol (1861-1944) dat het niet realistisch is. Dit niet alleen omdat een kopie van de werkelijkheid niet bestaat, maar omdat Grard ernaar streeft het ideale beeld, vermomd als realiteit, te bereiken. In die zin sluit hij aan bij de klassieke, zeg maar Griekse beeldhouwkunst. Toch komt enig cultuurrelativisme om de hoek kijken. Wanneer hij van een Afrikaans model vertrekt ziet men ook dat blanke en zwarte idealen verschillen. Terloops dient gezegd dat het oeuvre van Grard er toe noopt dat men begrip opbrengt voor idealisten die het moeilijk hebben om te bepalen welk ideaal ze willen eren.

George Grard is inderdaad de beeldhouwer niet van vrouwen, maar van de vrouwelijkheid. Slechts in zijn beginperiode gebruikte hij mannen als model. Nadien sculpteerde hij vrouwen in hun statische afstandelijkheid, godinnen getrouw of in hun krolse sierlijkheid, magneten voor de man. Soms worden zijn beelden uitingen van puur pantheïsme, de religie die de natuur zelf verheerlijkt, zoals bijvoorbeeld “De zee/Grote liggende” (1955) die in Oostende de “Dikke Mathille” genoemd wordt. Hier gaat de oerkracht van de vrouw in confrontatie met het mysterie van de oceaan.

Kunstenaars zijn kunstenaars en thema’s zijn maar aanleidingen. De sensualiteit van de beelden kan vertaald worden in een artistieke passie voor de bolle vorm. In tegenstelling tot de geometrie is de bol in de anatomie overigens geen licht berekenbaar volume. Dit is precies de uitdaging voor de kunstenaar. Het bolle lichaam meten door het realistisch te evenaren is een ganse klus. De idealisering doorvoeren, zoals Grard doet, houdt in dat de anatomie toch een geometrische dimensie verkrijgt. Het is duidelijk dat de volgelingen van Twiggy, het Londense graatmagere fotomodel uit de jaren zestig, geen model gestaan hebben voor Grard. Hij hield van de volheid van vormen. Niet voor niets behaalde hij de Rubensprijs in 1930.

2) P. Haesaerts, Retour à L’ Humain, L’Animisme, Bruxelles-Paris, 1943. p.54
3) Stichting George Grard, Ekestraat 1, Gijverinkhove: www.George-grard.com. zie ook: M-A. Gheeraert & M. van Jole, George Grard, Oeuvre-catalogus, Stichting George Grard, Gijverinkhove, 1995


© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.