Het abstract expressionisme of de lyrische expressie

Na WOII was het Vlaamse expressionisme, dat ooit Constant Permeke (1886-1952), Gust De Smet (1877-1923), en Frits Van Den Berghe (1883-1939) als Heilige Drievuldigheid had gekend, verworden tot een academisme. De School van Latem was dus werkelijk “school” geworden. De regels van de kunst werden bepaald door de stijl van het Vlaamse expressionisme. Dit komt neer op een door de gevoelens geleide wijze van schilderen die de werkelijkheid niet wil nabootsen maar uitdrukken vanuit een innerlijke drang. Uitvergroting en vervorming zijn hier de expressieve middelen. Het “Vlaamse” eraan is het typische landleven als onderwerp en de varianten op bruine kleuren, vaak in een donkere versie. Magie van de aarde, eerder dan hemelse mystiek. Dit was de heersende schilderswijze die door de burgerij na ’45 verzameld werd en-wat erger was-die in de kunstscholen onderwezen werd, uiteraard niet meer door de ooit zeer inspirerende boegbeelden, maar door de navolgers ervan.

Weinig jonge kunstenaars uit de naoorlogse periode zijn aan een expressionistisch debuut ontsnapt. Toch was het verlangen om te vluchten bij velen aanwezig. Het was immers een tijd waarin vernieuwing in de lucht hing. De abstracte kunst is hier de redding geweest. Eens rustig of wild alles dicht schilderen, de figuratieve wereld even vergeten, wadend in een zuiverend bad van nieuwe kleuren en spelend met totaal vrije vormen. De abstracte kunst is weliswaar niet uitgevonden na ’45, maar ze heeft wel een nieuwe dimensie gekregen, omdat de vrijheid die de kunst zich genomen had in de beleving samenviel met de souvenirs van de oorlogsbevrijding, enerzijds, en met de existentialistische filosofie van de vrijheid in Europa, bepleit door Sartre, anderzijds. In Amerika viel ze daarenboven samen met een ideologie van de vrijheid, d.w.z. dat het vrijheidsideaal, waar Amerika prat op gaat, zijn uitdrukking vond in de abstracte wijze van schilderen zoals die in de jaren veertig in New York tot uiting kwam. Het was tevens de eerste keer dat een schildersstijl vanuit New York over de Westerse wereld leidinggevend verspreid werd. Geen Amerikaan die nog weet dat dit onder invloed was van de aanwezigheid van “slimme” Europese kunstenaars die tijdig de plaat gepoetst hadden toen het te heet werd door het nazisme. “Slim”, zei ik, want vermoedelijk was het enige alternatief voor een artistieke loopbaan een vermelding in de catalogus: “The last expression: Art and Auschwitz”. (1)

De Amerikaanse abstractie heeft twee uitingen die in feite terugkeren naar de twee soorten abstracte kunst aan het begin van de twintigste eeuw. Enerzijds is er het “abstract expressionisme” en anderzijds de zogenaamde “concrete kunst”. Doorgaans worden deze twee schilderswijzen verbonden aan de temperatuur. De eerste wordt de “warme” ab¬stractie genoemd vanuit de idee dat ze het gevolg is van een emotioneel gedreven schildersgebaar. In het artiestenjargon zegt men in dit verband dat het “vanuit de buik” komt. Het tweede is dan de “koele” abstractie. Het zijn doorgaans slechts gekleurde, mooi afgelijnde, geometrische vlakken in een bepaalde verhouding. De oorsprong vindt men eerder in het hoofd dan in de buik. Het is precies een reactie tegen de al te subjectief emotionele bron voor de kunst. Deze benadering wil kunst zo “concreet” mogelijk houden, d.w.z. als een systeem van kleuren en vormen die in evenwicht gehouden worden.

Keren we terug naar het begin van de twintigste eeuw dan komt dit onderscheid tussen “warm” en “koel” overeen met het verschil tussen de drie vaders van de abstracte kunst. Er is enerzijds Kandinsky (1866-1944), die in 1910 een aquarel schilderde, dat in de kunstgeschiedenis als het eerste abstracte werk van de moderne kunst geboekstaafd staat. Anderzijds is er Mondriaan (1872-1944) die in 1914 een treurwilg langzaamaan van gedaante liet verwisselen om te komen tot zijn gekende kleurvlakcomposities. In dezelfde geest is er Malevitsj (1878-1935) die omstreeks dezelfde tijd kleurvierkanten schilderde op doek. Deze werkwijze noemde hij “suprematisme”. Het bekendste is uiteraard “Wit vierkant op wit doek”. Het was een zoektocht naar de meest zuivere eenvoudige grondvormen van de kunst. De twee laatst genoemde oervaders zijn de inspiratiebronnen voor de “concrete kunst” van na ’45. Vergeten we niet dat Mondriaan de laatste jaren van zijn leven in New York doorbracht en er tentoonstelde. De relatie van Kandinsky met het abstract expressionisme is duidelijk. Het was immers de naam die men aan zijn manier van schilderen gaf in de jaren twintig.

Het abstract expressionisme heeft een mengelmoes van invloeden. Die verscheidenheid is op zich reeds een kenmerk. In de strijd tegen de vooroorlogse heersende kunst komt zeer vaak de naam Picasso (1881-1973) opduiken. Als gangmaker van het kubisme stond hij voor een nieuwe benadering van de kunstenaar om te schilderen via analyse en synthese van de werkelijkheid. Dit was in tegenstelling tot het nabootsen of het vervormen van de werkelijkheid. Na de miserie van de oorlog vond men dit te “ideologisch”. De realiteit moet immers niet meer nagebootst worden ze is immers al vernietigd. Het idealistische mensbeeld, dat in het expressionisme tot uiting kwam, had gefaald. Het humanisme was even om zeep. De menselijke figuur kon niet meer voorgesteld worden. De mensheid moest zich even schamen. De abstractie maakte schoon schip. Picasso was hierin de held omdat hij behalve in de afstandelijke houding die het kubisme aanneemt (analyse en synthese), een nieuw model van kunstenaar voorstond, namelijk diegene die beelden steelt en ze zich toeëigent door vernietiging. Dit is een twintigste-eeuwse nieuwigheid. De ontbinding eigen aan het leven zelf tonen was al gebeurd, maar de werkelijkheid tonen door haar te ontbinden nog niet. Daarom werd hij door het Amerikaanse abstract expressionisme gewaardeerd. Ook in het naoorlogse België werd hij als genie erkend. Het principe van de gelijktijdige veelheid van invalshoeken, dat in feite hetzelfde is als het vernietigen van één vaste kijk op de dingen, werd als een grote bevrijding aangevoeld. Een eeuw voordien had Nietzsche dit perspectivisme, deze veelheid van invalshoeken, als houding vooropgesteld.

De vrijheid die het abstract expressionisme genomen heeft, had een tweede bron, namelijk het surrealisme. Hier speelde Freud, een confrater van Nietzsche onder de bevrijders van het gedachtegoed van de twintigste eeuw, een rol. Zijn centraal begrip “drift” betreft een psychische realiteit die verankerd is in het lichaam. Het lichaam heeft de mogelijkheid om onbewust deze driftmatigheid te uiten. De kunst kan er de neerslag van zijn. Deze gedachte leidde tot het principe van de “écriture automatique”, ten berde gebracht door Breton, de Franse vader van het surrealisme. Hoewel oorspronkelijk voor het schrijven gebruikt, werd het door het abstract expressionisme overgenomen in het schildersproces. Het woord “proces” staat hier overigens op zijn plaats omdat in deze kunst het proces van het maken van kunst als artistiek belangrijker werd geacht dan het gefixeerde eindresultaat. Het kunstige zit hem in het maakproces niet in het maaksel. Het Amerikaanse abstract expressionisme wordt algemeen bekend in Europa door de rondreizende tentoonstelling “The New American Painting”, georganiseerd door het MoMA tussen 1958-1959.

De boegbeelden van het Amerikaanse abstract expressionisme zijn Jackson Pollock (1912-1956) en Willem de Kooning (1904-1997). Hun werk kreeg ook de naam “Action Painting” mee, vanwege de nadruk op de lichamelijke activiteit bij het schilderen. Verder ook Mark Rothko (1903-1970) en Barnett Newman (1905-1970). Hun werk wordt ook “Colour-Field Painting” genoemd, omdat ze met grote kleurvlakken werken, waarbij het ruimtelijke effect een grote rol speelt. In Europa vindt men dan weer de naam “informele kunst” om de nadruk te leggen op het vormloze, nl. op de niet duidelijk af te lijnen vorm, eigen aan vlekken en verfstrepen die hun eigen weg gezocht hebben. De verfmaterie speelt hier een belangrijke rol. De Franse schilder Georges Mathieu (1921), gekend om de snelheid waarmee hij zijn schilderijen maakt, heeft voor hetzelfde de naam “lyrische abstractie” ingevoerd.

Zoals gezegd hebben vele jonge schilders in België na WOII het gewoon figuratieve expressionisme weggewist door een abstracte schildersstijl. De meest gehanteerde term is hier “lyrisch ab¬stract”. Zelfs de mooie meiden schilderende pop-art kunstenaar Pol Mara (1920-1998) heeft een dergelijke abstracte periode gehad. Jan Burssens (1925-2002) voerde de dripping techniek van Pollock in. Pierre Vlerick waarover we het hier verder willen hebben, had meer affiniteit met Willem de Kooning.

1. D. Mickenberg e.a., The last expression, Art and Auschwitz, Nortwestern University Press, Evanston, Illinois, 2003

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.