Fred Bervoets (1942- )

Fred Bervoets en “passie voor het schilderen” zijn synoniem geworden. Inerdaad staat zijn naam symbool voor een soort wild schilderen vanuit de onderbuik. In de Academie van Antwerpen kreeg hij les van een aantal post-expressionisten, waaronder Rik Slabbinck. Het is vooral de vriendschap met Jan Cox en Maurice Wyckaert die hem laten openbloeien. De laatste introduceert hem in Parijs bij zijn Cobra-vrienden (Asger Jorn). Bervoets werkt met afbakenbare perioden, die een naam krijgen. De eerste heet dan ook de “Cobra’s”. Bervoets speelt in op de schilderswijze van deze internationale beweging die ontstaan is in 1948. Zij schilderen zeer spontaan en inspireren zich op de kindertekening en op wat men out-siders kunst noemt. Zij willen zo weinig mogelijk geremd worden in hun uiting en huldigen het principe van het “psychische automatisme”, aangebracht door de Franse surrealist André Breton. Ondertussen was de Amerikaanse schilder Jackson Pollock overal bekend met zijn “drippings”. Op basis van verfspatten bouwde hij zijn oeuvre op. Ook Bervoets legt vaak zijn doeken op de grond. Het lichamelijke gebaar, het “gestuele”, is hier belangrijk. Deze vrijheid van vormgeving, waardoor het “onbewuste” als het ware rechtstreeks aan het doek toevertrouwd wordt, is dan ook de surrealistische kant in het oeuvre van Bervoets. Samen uiteraard met de beelden die getuigen van een ongebreidelde fantasie. Het lijken vaak droomwerelden. Daarnaast hanteert Bervoets ook een zeer expressionistische verftoets, verbonden aan de schilderswijze van de zogenaamde “Nieuwe Figuratie”, een stroming die de zuivere abstractie doorbrak in de jaren zestig.

Bervoets is uiteraard niet bij de “Cobra’s” (1965) bijven stilstaan. Deze periode werd opgevolgd door de “Spaghetti’s” (1970), “Totems” en “Kasten” (1974), de “Grijzen” (1978), “Hommage aan een vriend” (1981), naar aanleiding van het overlijden van Jan Cox, de “Cicatrices” en “Nevada’s” (1987) en de “Witten” (1988). De titels zijn vrij duidelijk, ze verwijzen naar een overheersende vorm of kleur en ook naar persoonlijke belevingen van Bervoets (2). De laatste tien jaar werkt hij vooral via een etstechniek. Hij schildert met zuur op grote etsplaten. Vaak combineert hij een aantal afdrukken naast elkaar en kleurt dan de figuren in. Hierdoor ontstaat een boeiende afwisseling tussen grafiek en schilderkunst.

Fred Bervoets vertelt altijd zijn leven. Zijn werk is één groot boek vol taferelen van alledag. Niet voor niets luidt de titel in het boek over zijn grafisch werk “Fred Bervoets’ egocentrische beeldwereld, Een oeuvre als zelfportrait”(3). Inderdaad verschijnt Fred zelf voortdurend in zijn werk als een bebaarde kabouter die de wereld bekijkt of er in figureert. Ook de andere acteurs zijn niet ingehuurd. Het zijn concrete mensen uit zijn omgeving: zijn vrienden en vriendinnen, zijn vrouw en kind, zijn galerist. De uitgebeelde thematiek is niet deze van abstracte concepten. Niet de dood, maar het sterven van een welbepaalde vriend. Evenmin van de existentialistische begrippen. Niet de eenzaamheid, maar een man die alleen is. Niet de angst, maar iemand die schrik heeft. Zijn thematiek sluit aan bij de concrete ervaringen, al kan een tikkeltje ironie soms wat afstand scheppen. Hij toont de mens als verlangensmachine. Het lichaam als bundel van verteringsorganen, dat zelf vroeg of laat vergaat. Bervoets beeldt deze aspecten van de dagelijkse werkelijkheid uit. Niet bepaald de mooiste kant maar wel een echte; geen schijn.

In het actuele kunstjargon noemt men dit al eens “anekdotisch”. De laatste jaren heeft dit soms een pejoratieve klank. Het betekent zoveel als dat wat alleen de maker aanbelangt, een niet relevant verhaal. Ik heb de negatieve klank van dit woord nooit begrepen. Ik ga er van uit dat in de hedendaagse kunst toch alles mag als het artistiek gezien de moeite loont. Etymologisch betekent “anekdote”, dat wat nog niet uitgegeven is, dus dat wat nog niet geschreven staat. De nevengeschiedenis is toch het boeiendste van wat er bestaat in de verhalen over de mens. Het anekdotische is het niet-essentiële, maar in een tijd waarin nog nauwelijks geloof gehecht wordt aan essenties, is eigenlijk alles anekdotisch. Bervoets toont ons die kleine dingen van ons bestaan, die groot zijn omdat het leven maar dat is.

Hij doet dit op een manier waaraan men alle adjectieven mag toeschrijven die ooit voor de schilderkunst gebruikt zijn rond het substantief “expressie”, dat wil zeggen het weergeven van de werkelijkheid door onderdelen ervan wat teveel in de verf te zetten. Iedereen kent die adjectieven. Ik hoef ze dus niet op te sommen.  

2) J. Pas, Fred Bervoets (Antwerpen, De Zwarte Panter, 1992).
3) J. Cools, Fred Bervoets grafische notities (Antwerpen, De Zwarte Panter, 1993). 4) A. de Wasseige (red.), Frank Maieu “Art-Jockey” (Antwerpen/Brussel, De Zwarte Panter, 1993)

© 2011 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.