De existentiële schilderkunst

Na WOII werd de abstracte kunst heruitgevonden om de vooroorlogse figuratieve kunst (expressionisme, surrealisme, kubisme en sociaal realisme) te verdrijven. De oorlogsgruwelen onfris in het geheugen geprent, werd de voorstelling van de mens voor een tijdje onhoudbaar in de kunst. De mens wou zichzelf even niet meer in de ogen kijken. Het oude humanisme had gefaald, weg ermee, verf erover. Pollock is het voorbeeld.

Abstracte kunst, hoe radicaal ze ook kan zijn, als middel van vernieuwing, is soms vlug uitverteld. Het spel van de relatie tussen kleuren en vormen geraakt snel uitgeput. Dit is zelfs het geval in de oneindigheid van de mogelijkheden die ontstaan wanneer de vormen vlekken worden en dus in feite “vormloos” zijn. Vandaar dat na een poos van zuivering vele kunstenaars opnieuw figuren laten groeien in de ruïnes van de abstractie.

Het existentialisme heeft na WOII voor een nieuwe filosofie gezorgd waarin de mens vertrok van zijn dagelijkse kleinheid: zijn angsten, zijn loze hoop. Niet rekenend op een externe, maar zoekend naar een eigen zingeving. Wie zoekt die vindt en wie niet vindt is gezien. Gedoemd tot vrijheid en de onlosmakelijk eraan verbonden verantwoordelijkheid, krijgt men een ander mensbeeld, een nieuw humanisme. Sommige kunstenaars hebben, via een aangepaste figuratie, gepoogd de contouren ervan te schilderen en te beeldhouwen. Giacometti en Bacon zijn hier de voorbeelden. Zij toonden via verf en brons wat Beckett en Ionesco op de planken brachten.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.