Henri-Victor Wolvens (1896-1977)

Een ander goed voorbeeld van miskenning wegens historische en maatschappelijke omstandigheden is Henri-Victor Wolvens. Samen met zijn post-expressionistische collegae maakte hij na veertig-vijftig jaar woeling binnen de autonoom geworden kunst de rekening van zijn voorgangers in het volle besef dat verder analyseren van deelaspecten, uitbloeien zou betekenen. Het impressionisme was een flauw lichtspel geworden. Het expressionisme dreigde karikatuur te worden in zijn overdrijving. De geometrische ab¬stractie neigde decoratief te zijn. Wolvens, en met hem anderen, heeft dit schilderkundig probleem opgelost door te zoeken naar een synthese tussen de drie zopas aangehaalde schilderswijzen.

We zien dit niet als een verslapping van het expressionisme, maar als een andere denkwijze, een synthese dus in de plaats van analyse. In die zin staat dit “post” in nauwe relatie met het “post” van het postmodernisme dat ook een synthesedenken is als reactie tegen het steriel worden van de analyse om de analyse van de epigonaal geworden avant-garde.

Wolvens wordt door Haesaerts tot de “animisten” gerekend. De kenmerken van het animisme beschrijft hij als volgt: Geen compositie van groot formaat; bedachtzame indelingen die noch wispelturig zijn, noch opzettelijk geometrisch. Een vlijtige tekening met in achtname van het te reproduceren object; een eerder mat gamma dat het licht in zijn zachtheid wil opvangen, in zijn rustige zilverkleurige glans, soms even opspringend. Een grote getrouwheid aan de natuur, weinig zichtbare vervorming; lichte krommingen die hier en daar de uitdrukking ondersteunen. Onderwerpen uit het dagdagelijkse leven gegrepen: de straat en haar voorbijgangers, kinderen aan het spel (er zijn veel kinderen in deze tedere kunst), de beslommeringen van het huishouden en het atelier, de vrouw bij haar toilet en in haar keuken, enkele stillevens zonder overvloed en enkele portretten zonder praal.

Bijna geen verbeelding (behalve deze die zich manifesteert tijdens de waarneming zelf en bij het zoeken naar technische oplossingen), geen enkele allegorie, geen symbolisme. Geen duidelijke vereenvoudiging noch primordiale wil tot synthese. Het is, laat het ons herhalen, een kunst van het interieur, thuis gemaakt, tussen slaap- en eetkamer, in de tuin of tijdens het flaneren rond het huis. Geen afdaling in de hel of opstijging in de hemelen.

Veel terughoudendheid, soms voornaamheid en zelfs sierlijkheid (de gekunsteldheid ligt op de loer); altijd fijnzinnigheid, maar eerder in de voorzichtigheid dan in de kracht. Een aangehouden hartstochtelijk leven, zelfbeheersing, een innerlijke emotie die voortdurend doorzet en soms, maar eerder zelden, uit elkaar spat. Ziedaar wat we kunnen vaststellen, ik zeg niet dat we dit moeten goedkeuren. (7) Het is niet bekend of Paul Haesaerts ooit van een kunstenaar een draai om de oren gekregen heeft wegens dit laatste zinnetje, want zulke lammetjes zullen het ook niet geweest zijn. Eén ding is duidelijk: dit citaat zegt wat Wolvens niet is.

Als ik het oeuvre van Wolvens bekijk dan zie ik iets anders. Hij is precies zeer goed in grote composities, zijn penseelslag is wild en er zit meer beoogde geometrie in dan men op het eerste zicht zou denken. Zijn kleurpalet is van frivole helderheid en het licht wordt nooit gedempt maar straalt, zelfs in de duisternis van sombere taferelen uit de Waalse mijnstreek. Geen deformaties in de zin van de expressionistische overbeklemtoningen, maar wel vol beweging. Wanneer Wolvens een regendag schildert, ziet men de striemen stromen, bij storm woelt het water, en doet de wind de bomen dansen. De alledaagsheid als thematiek is wel toepasbaar op Wolvens, maar de betekenis ervan wordt in het citaat als te pietepeuterig voorgesteld. Zijn stillevens zijn exuberant, zijn portretten doordringend. De oude mensen uit het gesticht die soms als model optraden, behoorden allicht niet tot zijn huishoudelijke omgeving. Aan verbeelding ontbrak het hem geenszins. Ook de afwezigheid van een ethische boodschap is niet het geval. Zijn hele oeuvre weerspiegelt een licht hedonistische moraal, een vitalisme, een genieten van de kleine dingen van het leven, van de natuur, zee en strand, het feestmaal, een vreugde omtrent het menselijk samenbestaan. Wolvens heeft een merkwaardige wijze van vereenvoudiging. Soms schildert hij namelijk enkel de contouren, bijvoorbeeld van glazen, oesters en kampernoelies. Ook in de wijze waarop zijn stipjesmensen fungeren in het tableau. Het oeuvre van Wolvens wisselt soms tussen enerzijds een aardse dramatiek en anderzijds, een verheerlijking van de water-lucht horizonten, om het dan nog niet te hebben over het licht. Ook van de terughoudendheid is bij Wolvens niets te merken, hij is in tegendeel een wildebras met het penseel, onvoorzichtig en met zeer veel kracht, vol vurige emotie.

Haesaerts heeft zijn “animisten” te veel als een “aangelengd” expressionisme gezien en niet als een andere schilderkundige logica, namelijk deze van een moment van synthese, als een op adem komen van de kunst. Dit betekent niet dat er geen verwaterde expressionistische schilderkunst gemaakt werd, maar niet door Wolvens. Wel door anderen, die men dan, wat mij betreft, gerust “animisten” mag noemen.

Die eigenheid van Wolvens lijkt mij, zoals gezegd, de synthese tussen drie stromingen. Het expressionisme wordt herzien als de niet meer te uitdrukkelijke expressie van een intieme wereld. Niet zozeer de objecten zelf worden in evidentie geplaatst, al zijn ze wel duidelijk aanwezig, maar ook de sfeer errond, zoals de impressionisten zo goed konden: het licht, de gemoedsgesteldheid. Maar vooral belangrijk in het werk van Wolvens lijkt me de abstracte component die telkens terugkomt en bij een esthetische beschouwing steeds een grotere rol gaat spelen. Abstracte motieven spelen een herhalingsspel. Zeelandschappen worden ei zo na abstracte materiekunst, en dit reeds in de werken vanaf 1930. (8) Eens men daar oog voor krijgt, wordt duidelijk dat de tussengeneratie de voedingsbodem was voor de jonge Turken van na de oorlog, die de volledige abstractie nodig hadden om zich van het expressionisme te bevrijden.

 

7. O. c. pp 16-17.
8. Zie: W. Van den Bussche (red.), “Henri-Victor Wolvens” (Brugge, PMMK& Stichting Kunstboek, 1994).

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.