Het dadaïsme

Een leeuw met scherpe tanden en dito klauwen, maar met een kwispelstaart. Dada leverde een totaalkritiek op de westerse cultuur. In 1918 schreef een van de belangrijkste woordvoerders Tristan Tzara: “Er moet een groot destructief negatief werk voltooid worden. Uitborstelen, schoonmaken… en dit met alle middelen van de dadaïstische afkeer.” Dada werd geboren uit een diepzittende opstandigheid die bewust gevoerd werd tegen drieduizend jaar geschiedenis. Terug Tzara: “Alles wat men ziet is vals.” Dit staat dicht bij een gedachte van de jonge Marx, nl. dat al wat bestaat waard is dat het vergaat. Zowat het omgekeerde van Hegel die stelde dat de werkelijkheid redelijk is. De creativiteit was voor de dadaïsten essentieel van negatieve aard. Artistiek handelen moest vernietigend zijn. Elke hiërarchie moest ondermijnd worden. De spontaniteit moest, volgens Tzara, schoon schip maken met elke vorm van verplichting en dwang. De ontmoetingsplaats van de dadaïsten, het Cabaret Voltaire in Zürich, stond symbool voor deze vrijheidsdrang. Deze hunkering naar onafhankelijkheid is nauw verwant met deze van het anarchisme, maar dan aangedikt met een ongeloof in het humanisme en een verwerping van de principes van de Verlichting. In deze idealen geloofden de anarchisten immers nog wel. De dadaïst wil ‘antimens’ zijn. Nederigheid is meer op haar plaats dan trots. De ervaring van het niets brengt geluk, zoals de scherven.

In plaats van de eigenheid van de mens op te hemelen, mogen we niet vergeten dat idioot ook van het woord ‘eigen’ (idios) is afgeleid. Vandaar dat Tzara voorstelde dat dada “met man en macht overal het idiote een plaats moet geven.” De mogelijkheid van een menselijke apotheose was een illusie. Dada wenste zich enkel bezig te houden met dat wat niets opbracht. Arbeidsmoraal was aan de dadaïsten niet besteed. De creativiteit moest zich zo goed als mogelijk op andere terreinen tonen, bijvoorbeeld in de liefde, de poëzie, de kunst en de gekheid. En zeker niet in de wetenschap, die hoogstens vrolijk mocht zijn. Zie hierin niet per se een oppervlakkigheid, maar een voorbode van de kritiek op de banden tussen wetenschap en macht. Het dadaïsme formuleerde een negatieve cultuurkritiek gericht op de splitsing tussen cultuur en leven. Of met Tzara: “Dada is een dwingende noodzaak zonder discipline of moraal die op de mensheid spuugt.” Aldus het gebrul van de leeuw. Toch was het dadaïsme niet irrationeel. Het gevoel werd immers niet losgekoppeld van de kennis en het denken. Het was een redelijke vorm van tegenspraak die dan ook de contradictie eerde. “Bemin de on-zin, en haat de domheid” was de leuze. En op de vraag: “Wat is dada” antwoordde Tzara: “Dada betekent niets.”

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.