Neokubisme en neoconstructivisme

De tijd heeft een grote invloed op het succes van een kunstenaar. De generatie die in de jaren dertig geboren is, heeft het niet makkelijk gehad. Niet zozeer omdat ze in trieste jaren verwekt is, maar vooral omdat ze te jong was om na WO II te kunnen profiteren van iets waarmee eigenlijk geen profijt zou mogen gemoeid zijn, nl. voordeel halen uit de vreugde na de bevrijding. De generatie die in de vrolijke jaren twintig geboren werd, had een al te braakliggend land voor zich liggen waarop ze een kunst van de vrijheid kon laten bloeien. Haar opgeklopte energie kreeg na ’45 de vrije loop. Echter zonder veel oriëntatie. Vrijheid was het abstracte begrip dat als motto diende. Wat ermee te doen, was niet evident. Het verhaal van de Jeune Peinture Belge is hiervan een goed voorbeeld. De kunstenaars uit deze groep hadden het moeilijk om de klepel te vinden. Toch lieten ze klokken luiden.

Wie een vijftal jaar later geboren was moest na WO II eerst nog naar de kunstschool. Misschien had dit te laat zijn ook zijn voordelen, nl. de tijd hebben om de invulling van die naoorlogse artistieke vrijheid te oriënteren naar een gestructureerd experiment. En niet zomaar zot te doen zoals kinderen en geesteszieken, de wijze waarop Cobraleden de vrijheid begrepen hadden. Experimenteren kan gebeuren vanuit twee tegengestelde wereldbeelden, namelijk het subjectivisme, als een groter geloof in de beleving van de wereld rondom ons naarmate ze individueler wordt, versus het objectivisme, als een groter geloof in de kennis van de dingen naarmate ze collectiever gedeeld wordt. Van het eerste is het impressionisme een wel zeer mooi voorbeeld, van het tweede het constructivisme.

Het subjectivisme heeft het voordeel dat de beperkte mededeelbaarheid per definitie geen probleem is. Men zou dit ook haar nadeel kunnen noemen. Het nadeel van het objectivisme is ontegensprekelijk dat het een illusie is gebleken objectieve kennis te verwerven buiten wat de exacte wetenschappen ons te bieden hebben. Aan wetenschapsfilosofie ga ik mij hier niet wagen. Toch hebben de menswetenschappen in hun geloof in de objectiviteit het zo ver gedreven om zelfs van ‘universaliteit’ gewag te maken, objectieve kenmerken die voor iedereen, altijd overal geldig zouden zijn. De kunst zou die kwaliteit zelfs hebben. De afwezigheid van een eensluidende definitie voor ‘kunst’ is de redding voor een dergelijke dwaling. Ook de theorie van het cultuurrelativisme zou ons hier te ver leiden. De menswetenschappen hebben hoe dan ook veel opgelost door het begrip ‘objectiviteit’ te vervangen door ‘intersubjectiviteit’, de gedachte dat ervaren kennis interessanter wordt, naarmate ze door meerderen kan gedeeld worden.

De persoonlijke beleving en visie worden niet veronachtzaamd, maar ze worden belangrijker naarmate ze meer gedeeld kunnen worden met anderen. Het object van het objectieve, het voorwerp, is overigens geen ding, geen zaak waar men geen zaken mee heeft, maar is iets dat door een subject, een onderwerp, naar voor geworpen is, beoogd werd, vanuit de eigenheid van dat subject die haar grond is. Simpel gezegd, het objectieve en het subjectieve hangen nauw samen omdat het objectieve, de wereld rondom ons, gekozen wordt door het subjectieve, de eigen ervaringswereld. Het is mijn bedoeling hier in te gaan op het soort kunst dat de werkelijkheid voorstelt of maakt op basis van het weten en de kennis die men over de werkelijkheid heeft. Een kunst dus die nauw wil aansluiten bij de wetenschap en de technologie. Haar beoefenaars zoeken geen toeschouwers met wie ze de gemoedstoestand kunnen uitwisselen. Ze willen een bijdrage leveren aan de verbetering van de ruimte als basis voor een beter leven.

De esthetische ervaring wordt hier gelijkgeschakeld aan de ethiek. In tegenstelling tot het impressionisme, dat een bepaalde ruimte toont op een bepaald tijdstip, zoals het waargenomen wordt door het oog van een bepaalde kunstenaar, toont het kubisme ons wat het weet over een object en dit in één beeld samengebracht. Maar dit was nog maar het begin. Deze rationele benadering is de voedingsbodem voor een aantal stromingen van het eerste uur van de avant-garde, met name het kubisme en het constructivisme. Het wordt de bron voor vele kunstenaars die vernieuwing zochten binnen de tweede avant-gardegolf na WO II. De principes van een experimentele kunst die blijft doorvragen naar wat ze eigenlijk is, is nog vóór WO I vastgelegd, maar ze kreeg de tijd niet om maatschappelijk te infiltreren. Deze zoektocht mondt trouwens uit in de conceptuele kunst.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.