Koen Vanmechelen (1965 – )

Koen Vanmechelen was reeds als kind gefascineerd door kippen en experimenteerde ermee vanuit zijn jeugdige nieuwsgierigheid om de wereld te ontdekken. Reeds van bij de aanvang was zijn interesse voor de pluimveeteelt zichtbaar in zijn werk. Hij maakte toen constructies van schijnbaar aan elkaar geflanste oude planken, die nochtans de suggestieve kracht hadden van levende kippen in het hok. De brutaliteit van ruw gezaagd en afval-hout gaf toch de fijne elegantie van de pluimbare tweevoeters weer. Hier zit reeds een paradox die Koen Vanmechelen bleef koesteren, nl. dat lijf en hok moeilijk uit elkaar te houden zijn.

Zijn constructies zijn gemaakt uit de materialen van een hok die de vorm aangenomen hebben van de bewoners. In tegenstelling tot de oudere Vlaamse assemblagekunstenaars doet hij geen beroep op door de tijd van patina voorziene onderdelen. Hoewel Gentils en Van Breedam tot een generatie behoren die steeds de mond vol heeft gehad van links maatschappelijk engagement, is hun werk soms zeer esthetisch. Koen Vanmechelen maakt geen gebruik van met nostalgie en esthetiek beladen recuperatiedelen. Zijn houtelementen zijn daarentegen tergend ongeschaafd met roestvrije bouten in elkaar gezet, al eens omkranst met prikkeldraad zonder oorlogsverleden. Kleuren zijn groezelig aangebracht en niet het gevolg van jarenlange ontkleuring door de tijd. Sommige tinten lijken wel giftig. Als er toch oudere balkjes aangewend worden, zijn ze simpelweg aan het haardvuur ontsprongen.

Behalve de afwezigheid van materiaal romantiek is de dynamiek die hij in de stilstand suggereert kenmerkend. Vanmechelen slaagt erin om zijn plankhoutconstructies zo in elkaar te steken, dat ze een stilte voor de storm suggereren. Dit brengt een spanning teweeg tussen rust en beweging. Het is nu eenmaal een natuurlijk kenmerk van het dier om snel die overgang tussen onbeweeglijkheid en actie te kunnen nemen: stokstijf om als een jager of als prooi niet opgemerkt te worden of vliegensvlug in de aanval of op de vlucht.

 

Cosmopolitan Chicken Project

Zijn interesse voor de kip heeft zich niet beperkt tot het maken van assemblagewerken. Hij is de levende kip als zich zelf beeldhouwende beeldhouwwerk gaan zien. Weliswaar door hem geregisseerd. Met zijn hebben en houden is hij verbonden aan de kippenwereld. De kip dan als voorbeeld van huisdier, gedomesticeerd, half mens geworden. Zijn werk is dan ook een reflectie over het samenleven tussen mens en dier. Elk verbruikt eitje is in zekere zin een abortus. De mens manipuleert de dierenwereld in functie van zijn voedingsproductie. Vanmechelen neemt hier een ecologisch standpunt in, waarbij hij de plaats van elk levend wezen wil herzien. De kip is wel goed gekozen als soort huisdier om te bestuderen, vermits ze aan huis verblijft als gezin. Vele sociologen beschouwen het gezin immers als de kern van de maatschappij.

Zijn experiment is dus niet enkel een soort dieptepsychologie van het kippenverstand. Zo is het “Cosmopolitan Chicken Project” (5) ontstaan, een artistiek verhaal over de kruising van gerenommeerde kippensoorten. Daar waar de sculpturen nog de realisatie waren van een onbevangen kinderdroom, is Koen Vanmechelen met zijn “Cosmopolitan Chicken Project” op een artistieke wijze de wetenschap binnen gedrongen. De wijze van experimenteren valt in grote mate samen: het lukt of het lukt niet. Daar waar de mislukking, het niet kunnen vliegen, de kern is van de poëtische kracht van het werk van Panamarenko, is het wetenschappelijk lukken van de kruisingen tussen de kippenrassen een voorwaarde voor het artistieke project. Het gaat wel degelijk over leven. Leven is overleven, door de generaties heen. Het “Cosmopolitan Chicken Project” is gestart vanuit de idee om twee vermaarde kippenrassen, nl. de Mechelse Koekoek en de Poulet de Bresse te kruisen tot Mechelse Bresse. Dat is wonderwel gelukt. De betreffende kruising geleek echter nog te veel op een symbolische verbroedering tussen twee naties. Een soort gedeeld nationalisme. Koen Vanmechelen wou nog een verdere onthechting van het nationale. Een verbroedering bevestigt in zekere zin nog de nationaliteiten, weliswaar op een vriendelijke wijze.

Vanmechelen wil een kosmopolitische kip, een wereldsoort, waarbij uiterlijk geen geografische toeschrijving meer kan gebeuren. Een nieuw ras dat innerlijk versterkt is op basis van de genetische gevolgen van het kruisen. Vandaar dat hij zijn kweekexperiment verder zette met de English Redcap, de Jersey Giant, de Dresdner Huhn en daarbij nog de Uilebaard uit Nederland. Huidig stadium is dus de creatie van de Mechelse Uilebaard, maar dat is geen eindpunt. Hij wil komen tot wat hij zelf een “transparante superbastaard” noemt. Dat de bastaard hier als model functioneert, is niet zo onverwacht. Een van de kenmerken van de postmoderne cultuuropvatting is precies het in vraag stellen van de zuiverheid van modellen. Men twijfelt immers aan alle grote categorieën. Eens men in die zuiverheid niet meer gelooft, wordt aan de bastaard een grotere realiteitswaarde gegeven. De straathond wordt zelden tentoongesteld met een strik in het haar, maar hij is wel de sterkste en zit nooit in een kooi. Hij kruist waar en wanneer de kans zich voordoet, wat niet min is. Het bastaard zijn als culturele waarde gepaard aan de verdenking van elke indeling die zich zuiver waant, is de kunstkritiek binnen gedrongen onder het synoniem “hybride”. Oorspronkelijk betekent het in de dierenwereld een kruising van twee rassen. In het Latijn werd het al vlug gezegd over een kind van een Romein en een niet-Romeinse, bijvoorbeeld een slavin, gewoon “bastaard” dus.

Het hybride is een frequent thema in de postmoderne kunst. Denk maar aan het oeuvre van Matthew Barney (6), waar de onderscheiden tussen man en vrouw en tussen mens en dier vervagen. Dit hybride is niet alleen het kenmerk van de levende kippen, die als kunstwerk fungeren, opgebouwd binnen een installatie in een galerij of een museum. De kunsttempels worden kippenren en de kippen voelen zich in die situatie soms beter thuis dan de toeschouwers. Nadeel van levende kunstwerken is wel dat ze sterven, maar ze worden niet afgevoerd naar het vilbeluik. Ze worden opgezet. En ook hier komen kruisingen voor. Twee kreupele hanen worden in elkaar gezet. Of een hanenkop krijgt een glasgeblazen aanvulling. Kop en naakte botten blijven over en verwijzen naar de Marek kippenziekte, die het ganse project dreigde stil te leggen, maar toch net kon worden bestreden. De werken zijn nog op andere wijzen multimediaal. De fotografie speelt een grote rol. De kippen en fiere hanen verschijnen er op als bij een staatsieportret van de hoogste gezagsdragers. Er worden ook video’s gemaakt. Bijvoorbeeld één waarop Koen lekker een kippetje aan het oppeuzelen is. Ook dat is het leven. Vergeten we niet dat Koen Vanmechelen aanvankelijk als kok gewerkt heeft in het restaurant La Feuille d’Or, dat overigens het project ondersteunt.

De liefde voor het kweken en de lust voor het eten is een andere dubbelzinnigheid van het gezellig samen-zijn tussen dier en mens. Dit wordt nog eens samengevat in zijn zelfportret waarop hij het uitschreeuwt tegen een tweekoppige haan. Tenslotte hanteert Vanmechelen ook een oud medium, nl. schetsen in een zeer expressieve stijl. Niet alleen met potloden en verf maar ook met ei. Het geel van het ei heeft overigens een oude geschiedenis in de schilderkunst. Het is duidelijk dat er een nauwe verwantschap bestaat tussen de activiteit van Koen Vanmechelen en de wetenschappelijke onderzoeker. Hij verzamelt gegevens, documenteert zich, brengt ze onder in archieven volgens een indelingsysteem met de bedoeling de chaos van de wereld te ordenen. Hij heeft overigens een gans internationaal netwerk opgebouwd met wetenschappers die hem informatie kunnen geven. Ze zijn ook zelf geïnteresseerd in zijn experimenten. Het kan een bijdrage leveren aan de genetica.

Zijn verwantschap met de wetenschapper beperkt zich echter niet tot de biologie. Er is ook de ethologie, de wetenschap die via de bestudering van het gedrag van dieren haar kennis wil vergroten over het gedrag van de mens. De mens blijft uiteindelijk als natuur dierlijk. De cultuur is slechts een wapen. De kip als gezinsstructuur kan dan weer sociologische problematieken oproepen. De oorspronkelijke wilde kip was het Rode Kamhoen (Red Jungle Fowl). Ze leefde aan de voet van de Himalaya. Vanmechelen gaat de nazaten nog geregeld bezoeken. Kip en haan waren monogaam in deze wilde toestand. Als huisdier werd de haan spreekwoordelijk polygaam. Bij een van zijn kruisingen kwam er een monogame haan te voorschijn, tot grote treurnis van de andere hennen. Zoals de meeste kunstenaars is ook Koen Vanmechelen de wapenbroeder van de filosoof. Hij stelt vragen over de maatschappij: nationalisme, racisme, globalisering, voedselcrisis, genetische manipulatie enz. Zijn antwoorden zijn uiteraard deze van een kunstenaar, deze van het wilde denken: onbegrensd kunnen ze alle kanten uit. Zo vindt hij dingen die via een andere benadering niet gevonden worden. Uiteraard zijn hier ook zaken bij waar niemand zit op te wachten. Het gehele artistieke project sluit enigszins aan bij de “individuele mythologie” van Beuys. Inderdaad heeft het “Cosmopolitan Chicken Project” iets mythisch opgebouwd rond de persoon van Koen Vanmechelen. In zijn conclusies staat hij soms dichter bij de mysticus, die meent de goddelijke wetten te hebben gevonden, dan bij de wetenschapper.

Als kunstenaar is zijn werk een mooi staaltje van neoconceptuele kunst, d.w.z. van conceptuele kunst waarbij het concept op zich niet volstaat, zoals in de jaren zestig, maar waarbij het concept ook in hogere mate uitvoerbaar moet zijn. Als kunstenaar staat hij ook dicht bij de postmoderne kunstenaar Damien Hirst (7), die dierenkrengen doormidden gesneden in boxen tentoonstelt. Hirst behandelt het thema van de dood, en dus van het leven. Vanmechelen behandelt het thema van het geboren worden, en dus van de dood. “Kip en ei waren er samen het eerst” zoals Vanmechelen stelt.

5) K. Vanmechelen, “Cosmopolitan Chicken Project”, Ludion, Gent, 2003
6) W. Elias, “Matthew Barney”, Snoecks 2004, pp. 260 – 281
7) W. Elias, “Damien Hirst”, Snoecks 2002, pp. 406 -423

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.